Arnoud Holleman
Amsterdam, Saturday February 4, 2012
Over de filosofie van de verdunning
Lezing gehouden op 11 oktober 2007, als onderdeel van het symposium 'Architectuur en kunst in de zorg', dat gehouden werd ter gelegenehid van de onthulling van het kunstwerk 'Cubisch Gewelfd Trottoir' van William Graatsma en Jan Slothouber. Het kunstwerk uit de late jaren 60 werd - in een herinterpretatie van Peter Graatsma - opnieuw uitgevoerd op het terrein van de zorginstelling 'Willem van den Bergh' in Noordwijk.

trottoirnoordwijk.jpg
ebay_art_work02.jpg
ebay_art_work01.jpg
Zeefdruk van Jan Slothouber and William Graatsma, gedateerd 1973. Gekocht op eBay op 12 september, 2009, voor 42,50. Op de achterkant gestickerd: afgevoerd uit de ING collectie.



Over de filosofie van de verdunning.

Met de oplevering van het cubisch gewelfd trottoir van Slothouber en Graatsma bevinden we ons vandaag tussen twee tijden in. Het is 11 oktober 2007 en we sluiten een periode af van opdrachtgeverschap van ongeveer 2 jaar, waarin Peter Graatsma gewerkt heeft aan een herinterpretatie van een werk dat ongeveer 40 jaar oud is. Daarmee staan we vandaag ook met één been in de late jaren 60 en vroege jaren 70, toen Slothouber en Graatsma met hun centrum cubische constructies een systeem ontwikkelden waarin wiskundige regelmaat gekoppeld werd aan speelse toepassingen. William Graatsma zelf zal straks meer vertellen over het ontwerpprincipe van de cubische constructie. Ik zal me richten op de twee soorten tijdgeest waar we vandaag mee te maken hebben.

Het cubisch gewelfd trottoir is oorspronkelijk ontworpen voor het schouwburgplein in Rotterdam, als stad hèt voorbeeld van het naoorlogse nieuwe bouwen, toen in de Nederlandse architectuur en stedenbouw de ruimtelijke principes van het modernisme werden toegepast. Dat resulteerde in lege architectonische buitenruimtes, zoals het schouwburgplein. Bij de formele werkelijkheid van de wederopbouw hoorde een openbare ruimte die leeg was en overzichtelijk. De beleving van die ruimte werd tot ergens midden jaren zestig als positief ervaren. Ruimte stond in de wederopbouw voor collectieve vrijheid en ontmoeting. Maar in de tijd dat Slothouber en Graatsma aan hun trottoir werkten was er een kentering gaande, aangestuurd door een beginnend idee van individualisering van de burger, waardoor die grote modernistische leegte meer en meer als horror vacui en dus als bedreigend ervaren ging worden. De cubische constructies van Slothouber en Graatsma zijn in dat tijdsgewricht ontstaan. En ze verbinden twee elementen die in die tijd juist lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Aan de ene kant een wiskundig, streng, formeel model, maar het streefde iets anders na: individuele expressie en speelse toepassingen door de gebruiker. Het modulair systeem was in theorie geschikt voor massaproduktie waardoor ieder voor zich zijn eigen eigen unieke combinaties zou kunnen maken. Een massaprodukt dus voor de in aantocht zijnde Homo Ludens.

Die kentering van de tijdgeest van formeel en collectief naar informeel en individueel speelde ook in de zorg. Iets later gesitueerd in de tijd, maar onderdeel van dezelfde beweging is de ‘affaire Dennendal’. Centrale figuur daarin is Carel Muller, directeur van de Willem Arntsz Stichting in Den Dolder die later werd bijgestaan door de architect van Klingeren. Carel Muller predikte de volledige acceptatie en gelijkwaardigheid van verstandelijk gehandicapten. Dat ideaal was ingebed in een grotere filosofie over een samenleving waarin minder plaats zou zijn voor macht, aanzien, bestaande patronen en meer plaats voor de menselijke kant, de zwakken, de rechtelozen.

In het kader van de nieuwbouwplannen voor Dennendal ontwikkelden Muller en van Klingeren een nieuwe visie op het inrichtingswerk. Patiënten (die in deze periode ‘pupillen’ gingen heten) mochten niet langer weggestopt worden in een geïsoleerde omgeving, de scheiding tussen “ziek” en “gezond” moest minder drastisch zijn. Zij pleitten er dan ook voor om op het terrein in de bossen naast patiënten en personeel andere groeperingen te laten wonen of werken. Het monofunctionele karakter van de kliniek diende te worden verdund met stukjes maatschappij. De ‘filosofie van de verdunning’ hield in dat op het terrein van de kliniek een ‘zo gemêleerd mogelijk’ leefmilieu zou worden gecreëerd, waar ook ‘gewone’ mensen in gewone huizen woonden:

Wij verwachten van onze buren niet de mateloze bereidheid om elke dag 5 zwakzinnigen op het warm eten te hebben. Wij vragen niet aan onze buren om een dienst over te nemen als er een groepsleider zich plotseling ziek meldt. Onze buren hoeven zich niet verplicht te voelen dagelijks een wandeling te maken met onze pupillen. Onze buren zullen heel aardige buren zijn. Ze doen gewoon de gordijnen dicht als ze gaan slapen. Maar ze groeten ons hartelijk als ze ons tegenkomen. Ze schrikken niet als een zwakzinnige hen plotseling omhelst. Misschien kennen ze een paar zwakzinnigen wat beter, hebben ze een paar vriendschappelijke contacten. Af en toe ga je bij de buren op de koffie. Niet iedere dag met z’n allen: gewoon zoals in een fijne buurt.

Het trottoir van Slothouber en Graatsma is nooit op het schouwburgplein terechtgekomen. Bij enkele andere projekten zijn een aantal trottoirs gelegd, maar de massaproduktie van het modulair systeem is nooit op gang gekomen. De produktiekosten waren te hoog, omdat het maakproces verraderlijk gecompliceerd was – en nog steeds is.

Ook de nieuwbouwplannen van ‘Dennendal’ die Muller en van Klingeren ontwikkelden zijn nooit gerealiseerd. De ideeën over ‘verdunning’ en ‘ontklontering’ die ze in 1974 presenteerden vielen niet goed. Als aanzet tot de verwezenlijking van hun ideaal ontmantelde Muller de hiërarchie in de verpleging. In deze anti-autoritaire omgeving stond voorop dat zwakzinnigen en begeleiders elkaar hielpen om ‘zichzelf’ te zijn. Met zijn oprechte, onaangepaste gedrag kon de zwakzinnige zelfs als positief voorbeeld dienen voor de ‘zelfactualisering’ waar ieder mens naar diende te streven. Qua ‘verdunning’ liet Muller alvast een groep alternatieve kaboutersympathysanten op het terrein toe die een biologisch dynamische moestuin begonnen en kruidenthee schonken in een met perzich tapijten ingericht theehuis. Van het een kwam het ander en dat ander werd een nationale rel waar zelfs het kabinet bijna over struikelde. De filosofie van de verdunning liep uit op de ontruiming van Dennendal door de politie. Dennendal werd pars pro toto voor het spanningsveld tussen monocultuur versus individuele ontpllooiing, tussen institutionalisering versus eigen inititiatief, tussen anonieme grootschaligheid versus de persoonsgerichte ‘menselijke maat’.

Sta mij op dit punt van ‘menselijke maat’ aangekomen een persoonlijke noot toe om de brug naar deze tijd te slaan. In 1974, ten tijde van de ontruiming, was ik tien jaar oud en zat in de klas bij Camiel. We vormden met een aantal andere kinderen een hecht vriendenclubje, dat na de lagere school uiteen viel. Dat gebeurde in 1976, toen ik in Eindhoven in de brugklas naast Peter kwam te zitten. Toen ik een keer met hem mee naar huis ging werd hun hele voortuin in beslag genomen door het cubisch gewelfd trottoir. Behalve dat het raar was herinner ik me van het trottoir dat je er handig je fiets tegen kon parkeren door de trapper tegen een welving te plaatsen. Als kind neem je de tijdgeest zoals ze zich voordoet en het onderscheid komt pas met de jaren. Ik verloor zowel Camiel als Peter weer uit het oog toen ik twee jaar later naar een andere school ging. Toevallig of niet – beiden ben ik jaren later later weer tegengekomen omdat we alledrie op verschillende plekken in het culturele veld werkzaam zijn. Peter Graatsma ging Industriële Vormgeving studeren en Camiel van Winkel schreef na zijn studie kunstgeschiedenis in Groningen Moderne Leegte, over de metafysische leegte van het nederlands naoorlogse cultuurlandschap, waar mijn lezing van vandaag zwaar op leunt.

Inmiddels zijn Camiel, Peter en ikzelf veertigers. Als je ons afzet tegen de veertigers van toen, te weten Muller, van Klingeren, Slothouber en Graatsma, zie je een wereld van verschil. Idealisme, utopische visioenen over zelfactualisering, en geloof in de macht van de verbeelding hebben plaats gemaakt voor ambivalentie, historisch bewustzijn en het stotterend besef dat de werkelijkheid te complex is om in systemen onder te brengen. Van die complexiteit zijn wij vandaag ook weer getuige. Het gewelfd trottoir van Slothouber en Graatsma maakt in de herinterpretatie van Peter Graatsma na veertig jaar een second appearance in een omgeving die bezig is getransformeerd te worden naar wat ooit het visioen van Muller en van Klingeren geweest moet zijn. Het terrein van Willem van de Bergh wordt verdund en ontklonterd tot Noordwijkerduin. Met één verschil: misschien chargeer ik, maar vandaag de dag zijn de motieven niet idealistisch, maar economisch van aard.

Dat brengt me bij hoe mijn aandeel van vandaag in de discussie is omschreven: Kunst in een veranderende zorgomgeving.

Idealistische begrippen als ‘ontmoeting’ en ‘spelen’ die sinds de jaren zeventig eigenlijk nooit van de agenda van opdrachtgevers verdwenen zijn hebben ook een rol gespeeld bij deze opdracht. Het heeft geleid tot de keuze voor skulptuur, geen Kunst am Bau maar een buitensculptuur, op de splitsing van de oprit naar De Zeester en de weg naar de nieuw te bouwen koopwoningen. Tegelijk hebben we met deze opdracht een ander hedendaags criterium voor kunstwerken in de openbare ruimte genegeerd: dat elke opdrachtsituatie uniek is en dus ook een uniek, nieuw en voor de context ontworpen kunswerk verdient. En daar ben ik blij om. De uitgangspunten van Slothouber en Graatsma uit de jaren 60 hebben denk ik in deze context nog steeds rechtsgeldigheid. Het cubisch gewelfd trottoir werkt ontmoeting in de hand en ook het verlangen om te spelen komt terug in het trottoir als spelvorm, waarvan tien exemplaren zijn opgenomen in de spelbibliotheek van De Zeester. Of het gaat werken is een vraag die meteen wordt opgenomen in de grotere vraag of Noordwijkerduin zal gaan werken als verdunde wijk met gewone buren, wanneer de boel over een paar jaar af is. Behalve dat de kunst meegaat in dit geloof en zich ervoor inzet om ontmoeting te bewerkstelligen biedt het ook de mogelijkheid om de archeologie van veranderende opvattingen over zorg, kunst, openbare ruimte en alle mogelijke relaties tussen die drie gebieden potentieel zichtbaar te maken. In de én/én situatie wordt deze waarderingsgeschiedenis onderdeel van het werk en dat is wat het werk actueel maakt. De kunst als middel én als geheugen.

UNDER CONSTRUCTION
Een voorspoedig 2133!
Wie zich verdiept in de geschiedenis van tijdcapsules vindt genoeg redenen om er geen te maken. De meesten verdwijnen, omdat ze vergaan of omdat ze worden vergeten. Toch zijn we bezig om er een in Rotterdam samen te stellen. Want ook al zijn we tegenwoordig geneigd om alleen met ironische distantie naar tijdcapsules te kijken, ze bieden nog steeds mogelijkheden. Niet zozeer voor onze nazaten, maar voor onszelf.
Rejected Conceptualism
Inventarisnummer BK53086 - BK53115. Serie van 30 potloodtekeningen. Begin 1 juni 1976, einde 30 juni 1976. Kunstenaar: Jan Hoving. Titel: Zonder titel. Beschrijving: Vierkant met potloodarcering, met begin- en eindtijdnotering. Materiaal: potlood, papier. Hoogte: 54,8. Breedte: 54,8. Staat: redelijk. Organisatie: Instituut Collectie Nederland. Rubriek: Beeldende kunst. Dit werk wordt afgestoten door Instituut Collectie Nederland.
Recto / Verso
Interview covergirl Lauren Hutton was photographed by Francesco Scavullo in 1973. She's wearing Galanos - from his exciting fall 1973 collection. Accessorized by Galanos, makeup by Way Bandy, hair by Rick Gilette. The photo was re-photographed by Anuschka Blommers and Niels Schumm in 2003, with model Uta Eichhorn posing as Re-Magazine covergirl Claudia. She's wearing a black dress by Hermès. Styling by Katja Rahlwes, makeup by Renata Mandic.
Media Suicide
De 38-jarige Karst T. uit Huissen reed even voor het middaguur in op toeschouwers in een bewuste actie de koninklijke familie te raken. De man raakte zelf ernstig gewond en verkeerde gisteravond in levensgevaar. De man ontweek op de Jachtlaan in Apeldoorn twee afzettingen en reed met zijn zwarte Suzuki Swift in op de menigte. De koninklijke familie zag vanaf een paar meter afstand hoe de man tegen monument De Naald botste.
Destroyed Thinker
In january 2007 two thieves stole a small cast of the Thinker from the Singer Museum in Laren, Holland. Not knowing the value of the sculpture, the thieves started taking the sculpture apart to be melted down. Alarmed by the press attention for their theft, and learning about its estimated value, they burried the sculpture in their garden. A few days later it was found, heavily damaged.
Rodin research
From 2005 onwards, I have been focusing on Rodin as a research topic. The main question that I ask myself is in what way Rodin consciously helped shaping the mythical proportions of his own artistic persona. By studying his life and works and by studying the timeframe of the second half of the nineteenth century – in which his work came to existence – I seek to create a context of paralel references as a source of inspiration for nowadays artistic practice.
Miscellaneous
This is a selection of older works, dating roughly from 1990 until now. It's a reservoir of lose ends. Part of my practice is to go back in time, and re-evaluate previous motives and actions. Therefore, a lot of my works have an unfinished, ambiguous nature. Either they have lost their momentum after they were exhibited, or were never shown outside of my studio, or are just waiting for completion in another context.
Co*star
Dus toen kreeg ik heel erg de wens, als mens maar ook als kunstenaar, om me te bevrijden van al die dingen... om werkelijk iets nieuws in te slaan. Maar dat gaat niet, want je kan het nieuwe niet bedenken op basis van al die ouwe zooi. Dus ik dacht, ik wil daar van af... en toen bleek dat soap ... bleek een deur te zijn naar... zeg maar dat je die ruimte in je hoofd weer werkelijk leeg zou kunnen maken en als een soort potentie zou kunnen gaan vullen... zelf.
Retitled
For the last couple of years in a row, artists had been invited who felt at home in a big show environment. This had thrown up a number of lively and playful installations, but this year the budding tradition was in jeopardy: for a variety of reasons there was next to no money for art projects. The only kitty in the budget that might be called upon had been set aside for the printing of the half a million paper napkins that were to be used during the festival.
I shot Madonna
When she comes past I click away hysterically. Not even with the intention of getting her picture but more because I’m in the press enclosure and have to prove that I’m a photographer or so. I’m so busy with the camera and she goes by so fast that I hardly catch a glimpse of her. The print I have made is blurred. Also that night was the first time she showed up with a black hairdo instead of her usual blonde, so nobody recognized her on the photo.